Trias politica?


In het “Koninkrijk der Nederlanden” – sinds 13 mei 1940 bij grondwet opgeheven – heeft men het graag over de ‘scheiding der machten’ en de ‘constitutionele monarchie’.  Op deze combinatie zou de uitstekend functionerende parlementaire democratie zijn gefundeerd, tot ieders volle tevredenheid.

Dit klopt niet.

Het één sluit het ander per definitie volledig uit, waardoor de ‘volle tevredenheid’ is beperkt tot een duistere macht achter de schermen, ongekozen en voor een groot deel onbekend bij de mensen. Er wordt de mensen een rad voor ogen gedraaid.

Trias politica betekent vrij vertaald in het Nederlands ‘scheiding der drie machten’. Deze drie machten zijn achtereenvolgens:

  • de WETGEVENDE macht
  • de UITVOERENDE macht
  • de RECHTERLIJKE macht

Vanuit het democratische principe gaat de macht uit van ‘het volk’. De 1e macht is dus de hoogste macht. Het hoogste orgaan, omdat die wetten maakt, besluiten neemt, verdragen afsluit en bindende afspraken maakt. Het volk heeft naar deze theorie het alles uitsluitende alleenrecht op de WETGEVENDE macht, de hoogste hiërarchische EERSTE macht.

Voordat we verder gaan, moeten we eerst de definitie van ‘het volk’ bepalen. In vroeger tijden werden stamverbanden aangeduid als volk. Vaak met een eigen taal, een eigen cultuur en soms een eigen religie. Sommige stammen (jagers)  trokken rond en sommige stammen (landbewerkers) vestigden zich min of meer definitief in een bepaald geografisch gebied. Vaak werden stamoorlogen gevoerd om vruchtbare gebieden min bezit te nemen. Door de 2000 jaar oude Romeinse invloeden in onze westerse cultuur is afgebakend grondbezit (door landsgrenzen) het fundament van de natie-staten.

Het volk bestaat nu in algemene zin uit een verzameling burgers van een bepaalde natie-staat. Door de culturele verscheidenheid van mensen zijn niet meer de stamverbanden de bindende factor, maar de grenzen van de natie-staat en de meeste gevallen de landelijke voertaal. Deze voertaal is doorgaans doorspekt met Latijnse woorden en begrippen, een ander teken van Oud-Romeinse invloeden.

Vandaar dat nu de inwoner van het door landsgrenzen afgebakende gebied “staatsburger” wordt genoemd. Een burger wordt ook gezien als een ‘natuurlijk persoon’ als tegenhanger van een ‘rechtspersoon’. Om te weten wat met ‘persoon’ wordt bedoeld, moeten het Latijns-Nederlands woordenboek raadplegen. Eén van de vertalingen luidt: “persona  =  masker”. Dat is een toepasselijke omschrijving, want bij onze geboorte worden wij direct aangekleed. We krijgen kleren aan, we krijgen een naam en tenslotte een nummer. Op dat moment zijn wij van ‘mens’ tot ‘natuurlijk persoon’ geworden, we hebben een masker op gekregen. Afgeleid van persona is ook de term ‘personeel’, werknemer. Dit houdt in dat de bevolking, het volk meer wordt gezien als personeel dan als een verzameling zelfstandige individuen. Vanaf het moment van geboorte gelden voor ons uitsluitend nog (werknemers)plichten, onze elementaire rechten zijn ons afgenomen door ‘afstempeling’, het regis-treren, het onderwerpen aan ‘rex’ – de koning, de heerser.

Geen rechten, alleen maar plichten?

Veel mensen zullen zeggen, dat dit onzin is en eenvoudig niet kan kloppen. Laat ons het even uitleggen. Het elementaire verschil tussen wat als een recht en wat als een plicht wordt gedefinieerd, is de sleutel. Voor het uitvoeren van uw plicht hoeft u niets te doen. Een andere entiteit legt u een plicht op en u voert het uit. Voor het uitoefenen van uw recht moet u alles doen. U moet bijvoorbeeld proberen een andere entiteit te verplichten uw recht te erkennen. Dit gaat altijd gepaard met kosten op voorhand. Een recht is namelijk pas een recht als u dat zelf heeft ‘genomen’. Een recht is geen recht, als een andere entiteit – zoals bijvoorbeeld de wetgever –  u dat recht onder bepaalde voorwaarden “toekent, geeft, verschaft”. ALLE u toegekende rechten zijn begrensd door een netwerk van zorgvuldig en doelgerichte gekozen regels die u worden opgelegd. In de wetgeving zijn talloze constructies aangelegd die vrije rechtsuitoefening beperken of zelfs geheel onmogelijk maken door de terminologie “mits bij wet anders geregeld”. Dit onderwerp komt later terug als we de rechterlijke macht als 3e macht binnen de “Trias politica” ontleden. Samengevat komt het er dus op neer, dat het verschil tussen opgelegde plichten en toegekende rechten zo minimaal mogelijk moet worden gehouden. Het doel van die beperkingen is dat het individu zo weinig mogelijk speelruimte resteert, niet in de laatste plaats door het op voorhand opvoeren van (administratie)kosten door een recht-BANK. U kunt dus naar de rechtbank om uw recht uit te oefenen, maar heeft op voorhand een financiële verplichting. De praktijk van de rechtsuitoefening is dat het collectief tegen het individu wordt beschermd, terwijl het andersom zou behoren te zijn. Een andere term die voor ‘natuurlijk persoon’ wordt gebruikt is ‘rechtssubject’. De vertaling van ‘subject’ geeft aan, dat er sprake van onderwerping is. In deze context wordt dus een natuurlijk persoon plichten opgelegd en is tevens onderworpen aan rechten. Alles wordt binnen dit canonieke rechtssysteem in het werk gesteld om de individuele mens van vlees en bloed “onderworpen” te houden. De gedachte alleen al, dat mensen zich zouden kunnen onttrekken aan de aan hen opgelegde plichten en toegekende rechten, is voor het collectief, de staat, de heersende macht een schrikbeeld en dient in de kiem te worden aangepakt.

Iedere levende mens van vlees en bloed gaat als het ware ‘gemaskerd’ door het leven en wordt een  ‘natuurlijk persoon’ genoemd. Al deze natuurlijke personen (burgers) vormen samen een maatschappij, welke fungeert binnen de grenzen van de wet en de natie-staat.  Vaak wordt het begrip ‘samen-leving’ verward met de juridische term  ‘maat-schappij’. Het verschil is echter enorm. Er is alleen dán sprake van een samenleving als er geen rechtsongelijkheid heerst en onder de voorwaarde dat de individuele mens van vlees en bloed zijn absolute recht op zelfbeschikking ten volle kan uitoefenen.

In een waarachtige, vrije samen-leving kunnen we pas spreken van een ‘volk’ als deze bestaat uit vrije mensen die het recht op zelfbeschikking uitoefenen als een soort eerste natuurlijke behoefte. Als we spreken over het uitgangspunt dat “de macht uitgaat van het volk”, dan kunnen we ook lezen dat de macht uitgaat van de levende vrije mens van vlees en bloed, onbelast en al of niet vrijwillig en onverplicht deel uitmakend van een collectief. Dat is ‘het volk’. De enige samenbindende factor is vrijheid en zelfbeschikking. Dat staat altijd los van religie, politieke keuzen, ras of kleur.

Doordat de macht uitgaat van het volk, is het volk daarmee impliciet de hoogste macht, de eerste macht, de WETGEVENDE macht. De

mklk

Belangrijke links